Ga naar inhoud
ambivert

Het grote grijze gebied tussen introvert en extravert: de ambivert

Karolien Koolhof
Het grote grijze gebied tussen introvert en extravert: de ambivert

Op het werk en in tijdschriften horen we vaak hetzelfde verhaal: er zouden twee soorten mensen zijn. Aan de ene kant heb je de introverte mens, die houdt van rust en graag een boek leest. Aan de andere kant heb je de extraverte mens. Die is luid, praat graag en staat het liefst in het middelpunt van de belangstelling. Maar de bekende psychiater Carl Jung waarschuwde ons hier honderd jaar geleden al voor. Hij zei: "Er bestaat helemaal niet zoiets als een 100 procent introverte of een 100 procent extraverte persoon. Zo iemand zou in een gesticht thuishoren." Hoe ziet dan dat grijze midden eruit?

Als we naar de wetenschap kijken, zien we dat Jung gelijk had. Mensen zijn geen simpele aan- of uitknop. Persoonlijkheid is een soort heuvel. Heel weinig mensen zitten helemaal links op de heuvel (extreem introvert). Ook zitten er maar heel weinig mensen helemaal rechts (extreem extravert). De allergrootste groep mensen zit gewoon in het brede midden van die heuvel. Maar liefst 68 procent van alle mensen past niet in een extreem hokje. Voor deze grote middengroep is ook een naam bedacht: de ambivert.

Prikkels

Om te snappen wat een ambivert is, moeten we even naar het brein kijken. Het gaat allemaal om prikkels van buitenaf en hoe je hersenen daarop reageren. Een extreme extravert heeft heel veel prikkels nodig om zich goed te voelen. Die persoon heeft veel behoefte aan actie. Een extreme introvert krijgt juist heel snel te veel prikkels binnen. Voor die persoon is een drukke kantoortuin al snel te veel van het goede.

De ambivert zit daar precies tussenin. Hun brein is niet supersnel overprikkeld, maar ze hebben ook niet constant actie nodig. Daardoor zijn ze heel flexibel. Ze passen zich makkelijk aan. In 2013 deed onderzoeker Adam Grant daar een bekende studie naar. Hij keek naar 340 verkopers. Je zou denken dat de hardste schreeuwers, de extraverte verkopers, het meeste verkochten. Maar dat was niet zo. De ambiverte mensen verkochten het meest: ze haalden wel 24 procent meer omzet.

Grant noemde dit het voordeel van de ambivert. Waarom zijn ze zo goed? Omdat ze precies in het midden zitten. Ze praten hard genoeg om jou te overtuigen van hun idee. Maar ze kunnen ook hun mond houden en écht luisteren naar wat jij nodig hebt. Ze voelen de sfeer in een kamer goed aan en passen hun gedrag daarop aan. Als een soort kameleon.

Geen rust

Dat klinkt natuurlijk als de perfecte werknemer. Maar er is ook een groot nadeel. Als je zo'n kameleon bent, kost dat heel veel energie in je hoofd. Iemand die heel introvert is, weet precies hoe hij moet uitrusten: alleen zijn met een boek of een wandeling in de natuur. Iemand die heel extravert is, weet dat ook: naar een feestje gaan of afspreken met een grote groep vrienden. Daar laden hun batterijen van op.

De ambivert heeft niet zo'n vaste manier om op te laden. Soms hebben ze rust nodig, en soms juist mensen om zich heen. Een heel weekend alleen op de bank voelt voor hen al snel eenzaam en saai. Maar een heel weekend op een druk festival zorgt voor hoofdpijn en stress. Het is continu zoeken naar de juiste balans. Dat is vermoeiend. Het is heel makkelijk voor een ambivert om per ongeluk over de eigen grenzen heen te gaan, juist omdat ze zich steeds aanpassen aan de groep.

Bedenkingen

Tot zover een helder verhaal. Maar er klopt ook een heleboel niet aan dit label. Want waar komt dat getal van 68 procent vandaan? Dat komt uit persoonlijkheidstests. Dat zijn lijstjes met vragen die je zelf moet invullen. Je moet op een schaal van 1 tot 5 aangeven wat bij je past. Wat blijkt? Mensen houden er niet van om extreem te zijn. We kiezen bijna altijd voor veilige antwoorden in het midden (een 3 of een 4). We wíllen ook graag normaal en flexibel lijken. Dat is sociaal wenselijk. Als de test zegt dat je 'ambivert' bent, is dat vaak niet hoe je brein echt werkt. Het is gewoon het ideale plaatje dat je van jezelf hebt ingevuld.

In de psychologie is een etiket alleen nuttig als het specifiek is en gedrag kan voorspellen. De definitie van een ambivert is grofweg: "Afhankelijk van de situatie ben ik soms graag alleen, en soms graag met anderen." Dit is psychologisch gezien geen persoonlijkheidskenmerk. Dit is de beschrijving van élk gezond en normaal functionerend mens. Het lijkt op een horoscoop: de tekst is zo algemeen en breed geschreven, dat iedereen er wel iets van zichzelf in herkent. Een label dat op 70 procent van de mensheid plakt, heeft geen enkele voorspellende waarde meer.

Vaak wordt de ambivert geprezen om de natuurlijke flexibiliteit. Maar klinisch psychologen kijken daar inmiddels anders naar. Wat op kantoor lijkt op 'natuurlijk schakelen', is vaak een overlevingsstrategie. Een introvert persoon voelt dat de kantoorcultuur luid en extravert gedrag beloont. Om mee te komen, doen zij zich extravert voor. Dit heet masking (maskeren). Het is geen ingebouwde, natuurlijke balans, maar keihard acteerwerk. De uitputting die ambiverten vaak voelen, komt dus niet doordat ze 'geen vaste ruststand hebben'. Het komt door de enorme denkkracht die het kost om constant een rol te spelen die niet van nature bij ze past.

Crisis

Er zijn duidelijke voorbeelden waarbij de middenweg helemaal niet werkt. Stel je voor dat je een levensreddend medicijn moet uitvinden. Of moeilijke computercode moet schrijven. Daar heb je diepe focus voor nodig. Je moet wekenlang, alleen en afgesloten van de wereld kunnen werken. Een extreme introvert kan dat. Een ambivert raakt te veel afgeleid omdat hij mensen om zich heen wil.

Of bedenk een crisis. Het gebouw staat in brand, of het bedrijf gaat bijna failliet. Er is geen tijd om 'de sfeer in de kamer te proeven'. Er moet nú iemand opstaan die keihard zegt wat we gaan doen. Daar heb je de extreme extravert voor nodig. De ambivert wil het vaak voor iedereen goed doen en gaat daardoor twijfelen. De kameleon overleeft altijd wel, maar de kameleon verandert de wereld niet.

Het is verleidelijk om onszelf een ambivert te noemen. Maar wij mensen zijn geen vaste labels. Hoe we ons gedragen hangt veel vaker af van waar we zijn, met wie we zijn en wat we op dat moment aan het doen zijn. In de moderne arbeids- en organisatiepsychologie verschuift de aandacht dan ook steeds meer van vaste persoonlijkheidskenmerken (traits) naar situationeel gedrag (states). Menselijk gedrag blijkt in de praktijk veel meer te worden gestuurd door de eisen van de omgeving en de taak die we te doen hebben, dan door een vast label dat we onszelf opplakken.

Karolien Koolhof

Over de auteur